Rooms katholieke Heilige Geest Parochie
Geschreven door Zeno Kolks
zondag, 19 februari 2012
Gedurende bijna de gehele 19de eeuw waren historische bouwstijlen normatief voor de eigentijdse architectuur. In de loop van die eeuw won de Gotiek (globaal eind 12de tot midden 16de eeuw) steeds meer aan populariteit, en de navolging daarvan werd in de katholieke kerk bijna als zaligmakend gezien.
Onze geloofsgemeenschap bezit twee van die zogenaamde Neogotische kerken: die in Delden (1872-1873), en die in Goor (1893-1894).
Als in de periode van de Gotiek worden zij gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van spitsbogige vormen en door de aanwezigheid van stenen gewelven met stenen stroken (ribben) aan de onderzijde van het gewelf. De zijwaartse druk van die overkluizingen worden aan de buitenzijde van het gebouw opgevangen door ver uitstekende muurverzwaringen (steunberen).
De kerken van Delden en Goor getuigen bovendien van de in die periode vooral in het bisdom Utrecht geldende voorkeur voor de navolging van middeleeuwse kerken uit het eigen gebied. Die van Goor is geïnspireerd door gebouwen uit de Rijnstreek, terwijl voor die van Delden de oorspronkelijk katholieke, maar thans hervormde kerk van Winterswijk in de Gelderse Achterhoek (ca. 1470-ca. 1550) model heeft gestaan.
De Neogotiek zet zich tot in de 20ste eeuw voort. Een klein detail als de rechthoekige doorsnede van de ribben van de kerk van St. Isidorushoeve (1926-1927) verraadt, dat wij hier met een laat voorbeeld van deze stijl van doen hebben.
Ook de kerk van Beckum (1936-1938) lijkt op het eerste gezicht Neogotisch. Hier komen verschillende typen gewelven voor, maar geen daarvan behoort tot het in de periode van de Neogotiek gebruikelijke soort van het ribgewelf. Beide kerken worden - bouwkundig gezien - gerekend tot het traditionalisme, dat in de katholieke kerkarchitectuur van tussen de Wereldoorlogen toonaangevend was.
In de tien jaar vanaf 1945 was niet langer de Gotiek, maar waren de bouwstijlen tussen de 4de en de 11de eeuw het lichtende voorbeeld. De producten van deze richting in de periode van de wederopbouw worden vaak geschaard onder het begrip basiliekstijl. Ten onrechte worden zij beschouwd als navolgingen van de oudste christelijke kerken.
Tot deze stijl behoren de kerken van Bentelo en Hengevelde. Beide uit de jaren 1953-1954. Hier is gebruik gemaakt van zuilen, die in de katholieke kerkarchitectuur uit de periode 1945-1955 weer in zwang kwamen. In beide gevallen zijn stenen gewelven grotendeels achterwege gelaten. Ook dat is kenmerkend voor die tijd. De kerk van Bentelo heeft rondbogige vormen: eveneens gangbaar in die jaren. In de kerk van Hengevelde zijn deze, bij wijze van uitzondering, spitsbogig.
Vanaf 1955 doet ook in de katholieke kerkarchitectuur het modernisme zijn intrede met onconventionele plattegronden, een ongebruikelijke vormgeving en tot dan toe nauwelijks gebruikte bouwmaterialen als beton en ijzer/staal. Hiervan biedt de H. Geest parochie echter geen voorbeelden.